DE EERSTE STEEN
In 1952 wordt de eerste steen van het gebouw gelegd. De minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen F.J. TH. Rutten krijgt deze eer. Onder het toeziend oog van vele hoogwaardigheidsbekleders en burgers begint hiermee voor De Maasbode een nieuwe toekomst.



In of achter de gevelsteen zou een oorkonde moeten zitten. Historicus Hans Vermeulen schrijft hierover in zijn lijvige boek over de opkomst en ondergang van De Maasbode: De bewogen geschiedenis van ‘’De beste courant van Nederland’’ uit 1994. De inleiding van zijn boek geeft een mooi tijdsbeeld van de stedelijke omgeving rond het gebouw en de plek zelf.

Onder de tekst vind je de oorkonde.


Wie de Rotterdamse centrumboulevard de Coolsingel afwandelt in de richting van de rivier, het ruimte Churcjillplein oversteekt, naar rechts de Westblaak oploopt en vervolgens linksaf slaat, staat aan het begin van de rustige Schiedamsevest. Ooit lagen Coolsingel en Schiedamse vest/singel in elkaars verlengde, als westelijke begrenzing van de sinds eeuwen bestaande stadsdriehoek. Waar zij in elkaar overgingen war er ook toen een plein, genoemd naar een ander symbool van herwonnen vrijheid: het Van Hogendorpsplein. Het statige plein werd vanaf 1867 gedomineerd door een fors standbeeld van deze magistraat, die na de Franse overheersing in 1813 aan de Haagse Kneuterdijk met zijn grondwet de basis legde voor eht nieuwe Koningkrijk. In 1930 krijgt hij gezelfschap van een trekpleister van geheel andere aard: het ‘modernste warenhuis van Europa’, de Bijenkorf. Dat was vóór het bombardement...

De stadswandelaar die ruim een halve eeuw na die catastrofe zijn weg vervolgt en de huidige Schiedamsevest inloopt, merkt dat deze na de kruising met de Witte de withstraat smaller en nóg rustiger wordt. Lins doemt het Oogziekenhuis voor hem op, terwijl recht daartegenover, met nummer 111, een opvallend gebouw de aandacht trekt. Het telt buiten de begane grond twee verdiepingen en wordt aan de Schiedamsevestzijde gekenmerkt door merkwaardige lange, smalle ramen waarvan de onderzijden zich op ooghoogte bevinden. Die onderste delen lijken op kasten, waarin iets kan worden tentoontesteld. Het bord bij de ingang leert, dat het gaat om de Polikliniek van het Oogziekenhuis. Niets bijzonders, denkt onze wandelaar, een afdeling die blijkbaar heel praktisch vlak tegenover het hoofdgebouw is geplaatst. Niets doet vermoeden dat ooit andere dan oogheelkundige activiteiten achter de pui hebben plaats gevonden. Of toch?

Eén detail van de regelmatige gevel zou de wandelaar aan het denken kunnen zetten. Maar, ach, is het hem kwalijk te nemen dat hij die over het hoofd ziet? Hoevelen van hen, die in die tientallen jaren het gebouw zijn gepasseerd, zal dit detail zijn opgevallen? En hoevelen onder dezen zullen zich in de btekenis ervan hebben willen verdiepen? Een enkele verdwaalde stadshistoricus misschien of een historisch geïnteresseerde bouwkundige, zoekend naar sporen van Rotterdams ‘wederopbouw’. Behoort de stadswandelaar tot zo’n zeldzame categroie en laat hij, aan de zijde van het Oogziekenhuis staande, zijn blik langs het front van het gebouw dwalen, dan wordt zijn aandacht getrokken door een lichte afwijking in de overigens gladde voorgevel. Aan de uiterste rechterzijde, nabij een blijkbaar nauwelijk smeer gebruikte zijingang, ontwaart hij dat detail. 

Het is een rechthoekje van dertig centimeter in het vierkant. En als hij goed kijkt ziet hij dat de rechthoek niet glas is, maar tekens bevat. Letters? Cijfers? Nieuwsgierig geworden haast hij zih naar de bewuste plek. Dan ziet hij het: een gevelsteen! De tekst luidt: ‘DEZE EERSTE STEEN WERD GELEGD DOOR Z. EXC. DR. F.J.TH. RUTTEN, MINISTER VAN O.K. EN W. 6 MEI 1952’. 

Wat betekent dit nu? Is de toenmalige katholieke politicus, minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in het tweede kabinet-Drees, met troffel en specie in de weer geweest voor een algemeen Rotterdams ziekenhuis? Nee, daar had de ziekenhuidirectie toentertijd beslist opbouwburgervader Van Walsum voor geïnventeerd. Merkwaardig, denkt hij, de tekst nog eens in zich opnemend. Maar nu wil hij het weten ook! Onze door de geheimzinnige tekst inmiddels tot speurder geworden wandelaar ziet nog slechts één mogelijkheid om het raadsel tot een oplossing te brengen: het raadplegen van een op die 6e mei uitgekomen dagblad. Hij zou dan zien dat de minister zijn werkzaamheden voor een geheel andere opdrachtgever dan een ziekenhuis verrichtte.

Maar er is nog een oplossing, zij het een zeer onpraktische. Kon hij maar achter de gevelsteen kijken! Want wat hij niet weet is dat zich daar een metalen koker bevindt en dat deze een oorkonde bevat, voorzien van een in fraaie letters uitgevoerde tekst, ondertekend door de meest begrokkenen bij de pleichteheid op die winderige dag in mei 1952. Die dag was voor de aanwezigen een dag van glorie, van wederopstanding, van hoop op de toekomst na een recent verleden van verwoesting en verbod van activiteiten. En het is die tekst, in plechtige taal gesteld, die de lezer iets van de betekenis van de steen, de geschiedenis die aan het plaatsen ervan voorafging en van de leesvitrines duidelijk zou maken. De gevelsteen is een relikwie van een krantenbedrijf, rooms en Rotterdams.


We hopen dat we de gevelsteen, in samenwerking met de architect en het bouwbedrijf, een plek kunnen geven in het nieuwe gebouw.